Hier in “den Hopsack” zijn een aantal vrijwilligers
actief,ook het team van het filosofisch café bestaat uit vrijwilligers.
Onlangs kwam bij mij de vraag op”wat beweegt eigenlijk
een vrijwilliger zich voor anderen in te zetten?”
Is het om een zwart gat op te vullen,een leegt?Doet hij
het om een bedankje te krijgen?Probeert
hij zijn eigen problemen te vergeten?
Er is echter geen fundamenteel antwoord,een antwoord dat
geldt voor elke vrijwilliger.
Emmanuel Levinas geeft misschien een gedeeltelijk
antwoord.
Bij Levinas gaat het om een “appel à l’autre” Die
“appel”(beroep doen op is ongeveer de
vertaling)door de behoeftige,de weerloze is geen eis. Bij Levinas besta je maar
doordat de “andere” je ziet en zo beroep doet op de andere zijn gelaat(dat is
eigenlijk fenomenologie)
De “goede Samaritaan” antwoordde aan de oproep van de
gekwetste. Maar was er alleen maar dàt, het helpen,of ging het ook om een goed
gevoel op te roepen bij zichzelf?
Ieder gelaat doet
een “appel” op zelfoverstijging. Ieder “ander” die geen bedreiging of agressie
vertoond in zijn gelaat is een vraag naar mijn zorg. Hij doet een oproep om
mijn grenzen open te stellen.
Door hem te tonen in zijn kwetsbaarheid doet hij een “appel”
op mij om uit zijn beslotenheid te geraken.
Hetzelfde van het gelaat kan gezegd worden van het woord
. Zelfoverstijging is luisteren naar het verlangen van de andere tot contact.
Ontmoeting gebeurt op voet van gelijkheid en
evenwaardigheid.
Ontmoeting tussen mensen is veel meer ,het is de
ontmoeting met de mensheid en de mensheid is de “andere”
Maar nog niet is er het antwoord dat ik zoek. Ik mis toch
wederkerigheid.
Bij Levinas gaat het niet ècht om wederkerigheid?
Dan kom ik bij Paul Ricoeur.
Hier is de “andere” niet de eiser maar de lijdende.
Hier “geef” ik mijn mede-voelen, mede-lijden. De “andere”
is de ontvanger
In het ware meevoelen word ik geraakt door al wat de
lijdende mij teruggeeft.
De ongelijkheid wordt opgegeven door de wederkerigheid,de
uitwisseling. Je kijkt in een spiegel,je lijdt mee ,je wordt herinnert aan je
eigen kwetsbaarheid en sterfelijkheid.
De ontvanger geeft verantwoordelijkheid doordat ik de
superioriteit erken van het aansporen tot rechtvaardig handelen.
Hier is dus wèl wederkerigheid,gelijkheid.
Ik ben niet beter dan
de andere. Ik ben een ander tussen de anderen.
Is dit een antwoord op de vraag:waarom die zogezegde
belangloze inzet van de vrijwilliger?
Om over na te denken toch?
Rosetta