Zondag 11 november hebben we een sessie ‘Filosoferen met kinderen’ gepland, gevolgd door een filocafé met de aanwezige volwassenen. Drie dappere jeugdige filosofen laten zich hiertoe verleiden – verder treffen we een dertigtal volwassen aan.

                  

Richard Anthone, de specialist in kinderfilosofie die ons voor de gelegenheid vervoegt, krabt in zijn haar. ‘Tja, hoe zoudt ge u zelf voelen’, zegt hij, ‘als zo veel mensen op het gesprek zitten te kijken dat ge aan het voeren bent.’ Bij overmaat van ramp krijgen onze speciale gasten ook nog eens een micro in de handen geduwd.

 

Gelukkig… Richard zou Richard niet zijn als hij daarvoor geen oplossing had. Nog voor iedereen goed en wel gezeten is, heeft hij al een babbeltje geslagen met Hanne (12 jaar), Rob (10 jaar) en Ilya (9 jaar). En waarover gaat het, denkt u?

 

Rob:           Denken met een micro, dat heb ik eigenlijk nog nooit gedaan.

Richard:      En wat je nu net deed, was dat denken met of denken zonder micro?

Rob:           Dat was denken met een micro!

Richard:      En? Wat gaf dat?

Rob:           Dat blijft ongeveer hetzelfde, denk ik, maar alleen iets luider…

Richard:      Het is luider. Is dat het enige verschil?

                  Ilya kijkt aarzelend naar de micro.

Ilya:            Euh, ik vind er eigenlijk niet veel verschil aan… Maar denken met een micro is voor mij wat moeilijker, want dan word ik een beetje zenuwachtig.

Richard:      Dus denken met een micro is meer zenuwachtig. Waarom?

Ilya:            Dan hoort iedereen mij. (giechelend)

Richard:      En als iedereen je hoort, dan word je zenuwachtig?

                  Ilya knikt een beetje verlegen.

Richard:      Heeft iedereen dat gehoord? (tot de grote mensen)

                  Het publiek knikt.

Richard:      Ben je nu zenuwachtiger geworden. (tot Ilya)

                  Ilya twijfelt.

                  …

Richard:      Vergeet maar efkes die iedereen, hè. Hanne, wat denk jij?

 

Hanne:        Als iets luider zou zijn, dan moet je het eerst uitspreken... Dus wat je denkt, is niet luider, maar wat je uitspreekt is luider.

Richard:      Snappen jullie dat?

Rob:           Je spreekt toch uit wat je denkt? Meestal, toch. Niet alles. Niet de geheime dingen. Maar het is nu toch de bedoeling dat we dat wel doen?

Richard:      Ook de geheime dingen?

Rob:           Hmm, niet alles…

Richard:      Ok, even terug. Wat denken jullie... Denken, maakt dat lawaai?

Rob:           Geen lawaai, denk ik. Of je moet een heel grote mond hebben, dan komt het er ALLEMAAL uit. Maar ik denk dat je dan wel veel ongeluk hebt.

Richard:      En als je nooit iets zou zeggen, dan zou je ook nooit zenuwachtig moeten worden?

Rob:           Nee, ik denk dat dat niet waar is. Je kan op veel manieren zenuwachtig worden.

Richard:      Zoals?

Rob:           Euh, door vanalles en nog wat, eigenlijk. Als je denkt: ‘Er gaat iets gebeuren!’ Maar je weet niet wat. Je kan je eigenlijk vanalles inbeelden, hè.

Richard:      Wat kan je je inbeelden, zodanig dat je niet zenuwachtig wordt als je iets moet doen?

Ilya:            Bijvoorbeeld, als je denkt dat het wel gaat lukken. Of als je denkt: ‘Dat is makkelijk, ik ken dat wel.’ Op school of zo. Of als je iets al vaker hebt gedaan en er niet meer bang voor bent. Hmm… Ik weet er eigenlijk niet zo veel over te zeggen.

Hanne:        Wat was de vraag ook alweer?

Richard:      Weet jij nog wat de vraag was? (lachend tot Rob)

Rob:           Ja, wat je zou kunnen doen om niet zenuwachtig te worden.

                  Hanne zucht.

Richard:      Hanne zucht! (lachend)

Hanne:        Tja… Aan iets anders denken. Aan iets vrolijks. Aan tulpen of zo…

Richard:      Tulpen? Tulpen zijn vrolijk!? Dat zullen ze in Nederland graag horen. (lachend)

Richard:      Aan iets anders denken, dus. Ilya?

Ilya:            Moet ik een voorbeeld geven?

Richard:      Heel, graag!

Ilya:            Aan iets wat je hebt gedaan. Of iets wat je gaat doen. Of iets waarop je je verheugt. Bijvoorbeeld… Als iemand heeft beloofd, op school of zo, dat we eens naar de Efteling zullen gaan… Dan denk ik dat ik wel wat minder zenuwachtig ben... Of juist wel… Soms word ik ook wel zenuwachtig als iemand heeft gezegd dat we iets heel tofs gaan doen…

Richard:      Wil je daarmee zeggen dat je het niet in de hand hebt?

                  Ilya twijfelt.

Richard:       Maar als de anderen, Hanne en Rob, zeggen: ‘Gewoon je denken veranderen, dan ben je niet meer zenuwachtig.’ Zou dat lukken, denk je?

Ilya:            Mwaah…

Richard:      Als ik nu zou vragen: Verander nu eens even je denken? Zou dat lukken?

Ilya:            Ja, ik denk het…(giechelend)

Richard:      Wel, doe het eens…

Rob:           Maar dan let je niet meer zo goed op, hè! Zoals Anna of Hanna zegt…

Hanne:        Hanne! (verontwaardigd)

Rob:           Zoals HANNE daarnet vroeg… Ze wist niet meer wat de vraag was. Dus, als je aan iets anders denkt, ben je niet meer aan het luisteren en dat is ook niet echt de bedoeling.

Richard:      Dus Hanne was niet goed aan het luisteren?

Rob:           Nee, maar ik ook niet… (lacht)

 

Hanne, die wel eens eerder filosofeerde op de weblog http://www.bloggen.be/peinzen vindt dat het tijd wordt om maar eens een vraag te stellen. ‘Moet je geen vraag hebben om te beginnen denken?’, vraagt ze zich af. Ilya is het daar niet mee eens.  Volgens hem heb je om te denken vooral een doel nodig, niet echt een vraag. De kinderen goochelen even met vragen, antwoorden en doelen tot ze zich afvragen: ‘Wat is het doel van dit alles?’

 

Rob:            We moeten blijven doorgaan en antwoorden vinden! Maar die antwoorden zijn dan ook weer vragen. (vastberaden)

Richard:       Kan dat? Kunnen antwoorden ook vragen zijn? Of kunnen vragen ook antwoorden zijn?

Rob:            Allebei, denk ik.

Richard:       Kan je eens een voorbeeldje geven van een vraag die ook een antwoord is?

Rob:            Euh… Is het heelal oneindig? De vraag is: ‘Is het heelal oneindig?’ En als je daar een antwoord op vindt en je zegt dat het heelal oneindig is, dan betekent dit dat het niet oneindig is. En dan heb je de vraag opnieuw. Klopt het dan wel? Blijf je zo niet bezig?

Richard:      Wacht… Is het goed als ik dit even opschrijf?

 

Met assistentie van Ilya en Hanne komen er nog twee andere vragen op de flipover. Het criterium blijft: Vragen die ook antwoorden kunnen zijn én omgekeerd. Bedenken Ilya, Rob en Hanne nu vragen die weer nieuwe antwoorden oproepen? Of bedoelen ze toch nog iets anders?

                 

Is het heelal oneindig?

Is de lucht blauw?

Is een kleur eigenlijk wel het goede woord?

 

Richard:       Waar zit dan het antwoord? Dat snap ik eigenlijk niet goed. Laten we ze eens een keer één voor één overlopen.

Rob:            Wel of het heelal oneindig is… Volgens ons kan er niets oneindig zijn. Dus dat is iets heel raars om over na te denken.

Richard:       Niets kan oneindig zijn?

Rob:            Ja, er moet wel een einde aan komen, maar dat kan niet. Allez, dat is iets waar je totaal mee vast zit. (aarzelend)

Richard:       Afschuwelijk, hè. (lachend)

Ilya:             Ik vind ook wel dat het waar is. Er is nooit iets juist of nooit iets fout. Eigenlijk hebben de mensen er wel een woord voor gevonden, maar het kan ook iets heel anders zijn.

Richard:       Waarover heb je het dan precies?

Ilya:             Een vraag kan ook een antwoord zijn, maar… Pfff… Ik vind het moeilijk uit te leggen.

Rob:            Volgens mij bedoelt hij dat iedereen anders denkt. Want wij kunnen een kleur wel een naam geven en ze hetzelfde noemen, maar niet voor iedereen IS ze hetzelfde.

Richard:       Ilya, klopt dat?

Ilya:             Ja, dat bedoel ik.

Richard:      Hanne, ik zie je knikken?

Hanne:        Ja, mijn broer is kleurenblind. Dus als wij zeggen: ‘Hier heb je een rode stift.’ Dan zegt hij: ‘Ja, maar dat is helemaal geen rode stift. Dat is een blauwe stift!’ Of onlangs moest hij een taak maken en mijn moeder gaf hem een blauwe balpen. Toen zei hij: ‘Hé, wat doe je nu! Ik moet mijn huiswerk toch niet in het oranje maken!?’ Hij ziet oranje, maar wij zien blauw.

                  …

                  Lange stilte.

                  …

Rob:           Wat is dan het juiste antwoord?

Richard:      Ja, wat is dan het juiste antwoord??

Rob:           Er is een oplossing: De meerderheid wint. Maar dat is niet altijd juist, hè.

                  Iedereen lacht.

Richard:      Stel u voor dat we straks verder gaan met de vraag: Is het heelal oneindig. Denk je dat er dan een oplossing kan komen? Als we hard ons best doen?

Rob:           Dat weet je nooit… Achter elk iets komt iets, maar niks is oneindig, volgens ons.

Richard:      Volgens ons vier?

Rob:           Nee, volgens de mensheid. Ik denk dat iedereen er wel ongeveer zo’n beeld van heeft.

Richard:      Dus, achter elke iets komt iets. Altijd?

Rob:           Ja, maar dan blijft het komen. En dat kan ook niet…(zoekend)

Richard:      Dus als ik het goed begrijp, zeg je: ‘Dat kan niet, want er moet een einde komen.’

Rob:           Ja.

Richard:      Laat ons even daarop focussen. Denken jullie dat ook? (tot de andere kinderen)

Ilya:            Ja… (twijfelend)

Hanne:        Waarom is er dan het woord ‘oneindig’?

Richard:      Wacht, eerst eventjes deze vraag. Moet er een einde komen?

Hanne:        Ah nee, want anders was het woord oneindig toch niet nodig.

Richard:      Snappen jullie wat Hanne bedoelt?

Rob:           Mjaaa…

Richard:      Waar ik eigenlijk even achter wil komen is: Waarom denken jullie dat achter elk iets uiteindelijk een einde moet komen? Waarom gebruiken jullie het woordje ‘moet’? Waarom moet dat, Rob?

Rob:            Euh, ik geef het woord nu effe aan Ilya...

Richard:       Vond je dat een moeilijke vraag? (lachend)

Rob:            Ja.

Richard:       Maar wacht, misschien even verduidelijken. Jullie waren ervan overtuigd: Kijk, er moet altijd een einde zijn. Waarom denk je dat precies? Waarom moet dat?

Rob:            Achter dat wat achter iets komt, moet er toch nog altijd iets anders zijn?

Ilya:             Hmmm…

Richard:       Dus, Ilya?

Ilya:             Misschien is het voor de mensheid wel zo, maar… Het kan ook zijn dat iedereen het zo denkt en dat het helemaal niet zo is.

Richard:       Dat wat niet zo is?

Ilya:             Veel mensen denken dat het MOET eindig zijn, maar het kan ook dat het KAN zijn.

Richard:       Dat er een einde kan zijn? En niet persé een einde moet zijn?

Ilya:             Neen, het KAN ook oneindig zijn.

Richard:       Wat zou dan het voordeel zijn als we zeggen: ‘Ja, er is altijd een einde?’ Wat betekent het woordje ‘moet’? ‘Er moet altijd een einde zijn.’ Kan het dan zijn dat dat een voordeel biedt? Stel je voor dat alles oneindig is… Hoe zou de wereld er dan uitzien?

Rob:            Dan zou dat eigenlijk een hele mengeling zijn en aan die mengeling zouden we 1 woord geven. Want dan zou elk iets oneindig zijn en het zou allemaal in elkaar beginnen lopen. Een muur en een boek die oneindig zijn, komen elkaar uiteindelijk wel tegen, hè?

Richard:       Een muur en een boek…

Rob:            Bijvoorbeeld, hè. (nadrukkelijk)

Richard:       Jaja. Even naar een reactie luisteren… Een muur en een boek, komen die uiteindelijk elkaar tegen, Hanne? Zoals Robbe het bedoelt…

Hanne:         Ja, dat denk ik wel. Want als iets oneindig door blijft lopen, kan je… (twijfelend)

                   Nee, wacht… Tenzij je twee lijnen neemt, die evenwijdig zijn. Die blijven dan doorlopen en komen elkaar nooit tegen.

Rob:            Nee, dat klopt niet echt, want ‘oneindig’, dat is oneindig naar alle kanten.

 

                   Richard maakt een tekening van beide mogelijke situaties op het bord. Rob maakt nogmaals duidelijk: Als iets oneindig is, dan moet het oneindig zijn in alle richtingen. Anders kan je niet van oneindig spreken. Ilya zit het gesprek diep fronsend aan te horen.

 

Richard:       Ilya, gaat het nog? Vind je dat geen gek begrip, geen raar woord, die oneindigheid? (lachend)

 

Ilya:             Ja, als je een woord een paar keer na elkaar zegt, dan begin je altijd te denken: ‘Wat voor een raar iets is dat eigenlijk?’ Dus ja, ik vind dat wel een beetje een raar woord.

Richard:       Oneindigheid. Iets wat dus nooit een einde heeft. Hm?

                   Mijn vraag daarstraks was: Hoe zou de wereld eruit zien, moest alles oneindig zijn. En toen zei Rob: Alles zou elkaar tegen komen. Boeken en muren.

Rob:            Ja, en dan zou dat volgens mij niet meer stoppen. Want anders is het niet meer oneindig, natuurlijk. Alles zou blijven lopen. En dan zou alles elkaar tegen komen. En dan zou dat één iets vormen. En dat ene iets zouden wij dan weer een naam geven. En dan wordt het eigenlijk simpel… Want dan hebben we nog maar één naam nodig. LITSCH bijvoorbeeld. Simpel voor baby’s, want die moeten dan niet meer alle woorden leren. Alleen LITSCH. (giechelend)

Richard:       Dus dat ene woord bevat alles? Ilya, wat vind je daarvan.

Ilya:             Ik ben akkoord. (vastbesloten)

Richard:       Hanne?

Hanne:         Mmmja… In de meetkunde heb je wel zoiets. Het ding dat alles is, is het vlak. Dus ja, ik kan er wel inkomen, in wat hij zegt. Ik denk dat het wel kan kloppen.

Richard:       Maar dan hebben we dus een antwoord gevonden?

Rob:            Euh, mmja... (twijfelend)

Richard:       We hebben Litsch en dat is alles. En alles komt elkaar daar tegen.

Rob:            Ja, eigenlijk wel.

Richard:       Dus, dan moeten we ook niet meer babbelen of denken, want het is er allemaal al.

Rob:            Mmmja… maar dan zouden wij er ook niet meer zijn. Dan zouden we allemaal oneindig zijn. Dan zouden we allemaal één iets worden. En dan zouden we gewoon een deel zijn van Litsch. Dan zou de mensheid er ook niet meer zijn.

Richard:       Dus allemaal Litsch? Zou dat geen oplossing zijn voor ons politiek probleem in België? (lachend)

Rob:            Ja, ik denk het wel. Dan moeten wij wel samenwerken, hè? (laconiek)

Richard:       Ilya, gaat het nog?

Ilya:             Uh, ik geef het woord nu aan Rob.

 

Iedereen lacht. Rob vindt dat het tijd wordt om maar eens naar de andere vragen te gaan kijken: Is de lucht blauw? Is een kleur eigenlijk wel het goede woord. Volgens hem hebben ze heel erg met elkaar te maken. Bovendien zouden ze ook een antwoord geven op de vraag: Kan een vraag ook een antwoord zijn? Dat begrijpen we niet zo goed… Na wat over en weer gepraat; komen de kinderen toch weer bij Litsch uit.

 

Richard:       Litsch dus. En dan begrijpen we de oneindigheid, omdat we er middenin zitten?

Rob:            Ja, zoiets denk ik. Maar we zijn niet allemaal Litsch. Je zou ons wel Litsch kunnen noemen, natuurlijk.

Ilya:             Ik denk dat de mensen het woord oneindig hebben bedacht voor de ruimte. Ze zitten er middenin. En omdat het zo groot is en omdat ze maar één zonnestelsel kunnen zien – terwijl er veel meer zijn - denken ze waarschijnlijk dat de ruimte oneindig is. Maar het zou kunnen dat het vergelijkbaar is met de aarde… Dat het net als de aarde één klein deel is van iets heel groots.

Richard:       Dus, oneindigheid is niet echt? Het is een woord dat uitgevonden is. Net zoals met de kleuren?

Rob:            Volgens mij hebben ze gewoon het woord oneindig bedacht, omdat mensen het niet konden snappen dat iets geen naam had. En dan hebben ze het woord oneindig gegeven. Want je moet alles wel een naam geven. Als ze iets nieuws ontdekken, geven ze dat direct een naam. Altijd. Dus…

Richard:       Ze geven een naam aan de dingen die ze snappen, maar ook aan de dingen die ze niet snappen?

Rob:            Ja. (lachend)

Hanne:         Ze geven een naam aan de dingen die ze snappen, omdat ze het antwoord hebben op een vraag. En ze geven een naam aan de dingen die ze niet snappen, omdat ze het antwoord WILLEN hebben op een vraag. Zodat ze dan niet meer vastzitten en gewoon kunnen verdergaan met wat ze willen doen.

Rob:            Ja, want anders zou er elke keer zo’n ‘tuut’ komen als je het over het heelal had, hè. Dan zouden we weer vastzitten en dan zouden we weer een naam moeten bedenken…

Richard:       Dus het is allemaal een kwestie van namen?

Rob:            Mjaa.

Richard:       Dus, oneindigheid is eigenlijk een verzamelnaam, een verzamelwoord voor alles wat we niet snappen?

Rob:            Ja, eigenlijk voor één ding dat we niet snappen. De oneindigheid snappen we niet.

Richard:       Hm. En kleuren, snappen we dat? Stel je eens het volgende voor: Als iemand blind geboren is, zou je dan aan die persoon kunnen uitleggen wat een kleur is?

Ilya:             Je zou het wel kunnen uitleggen, denk ik. Misschien zal hij niet helemaal beseffen wat het is, maar je zou het wel kunnen uitleggen…

Richard:       Probeer eens.

Ilya:             Ik weet het niet… Mijn broer is kleurenblind. Hoe leg je dan uit wat blauw is?

Ilya:             Je zou kunnen zeggen dat rood blauw is…

Rob:            Maar hij zou dat voor iets heel anders kunnen aanzien. Volgens mij kan iemand die kleurenblind is wel een beeld in zijn hoofd hebben van een kleur. Want in je hoofd, ook al ben je blind, kan je kleuren zien. Misschien ziet hij dan wel blauw voor rood, of grijs, of wit… Dat is dan wel weer geen kleur…

                   In ieder geval, als iemand alleen zwart-wit kan zien, dan heeft hij misschien wel een voorbeeld in zijn hoofd van een kleur, zoals bijvoorbeeld de kleur geel. Niet dat het dan geel IS, maar…

Richard:       Maar hoe kan iemand die blind geboren is en nooit kleuren gezien heeft, toch een beeld van een kleur in zijn hoofd hebben?

Rob:            Euh… Zwart is geen kleur, omdat de zon dat niet weerspiegelt. Maar we zien het wel als een kleur. Dus, misschien zou die blinde wel zwart zien; de kleur zwart voor zijn ogen hebben.

Richard:       Je zegt ‘misschien’?

Rob:            Ja, waarschijnlijk wel…

Richard:       Wat denk jij, Ilya? Iemand die blind geboren is, kan die kleuren in zijn hoofd zien? Kan die eigenlijk wel iets zien in zijn hoofd?

Ilya:             Als ik mijn ogen dicht doe en ik kijk naar licht, dan zie ik eigenlijk wel kleuren. Maar iemand die blind is, zal zich wel afvragen: ‘Wat is dat nu?’ Of misschien ziet hij gewoon zwart…

Hanne:         Maar waarom zwart en geen paars of oranje? Misschien zegt hij zwart, maar ziet hij paars…

                   Richard stelt voor om de proef op de som te nemen…

Richard:       Ok, welke kleur heeft de tafel.

Robbe:        Bruin

Hanne:         Ja bruin…

Ilya:             Oranje, misschien…

Richard:       En… zit de tafel nu in je hoofd of in de tafel.

                   De kinderen fronsen de wenkbrauwen.

Richard:       Ok, sluit je ogen. Welke kleur heeft de tafel.

Hanne:         Welke tafel? (lachend)

Ilya:             Da’s voor iedereen anders… Het is een andere mening.

Richard:       Is het allemaal een kwestie van mening?

Ilya:             Ja, wij hebben de kleuren uitgevonden.

Rob:            De kat zou misschien zeggen: ‘Dit is een blauwe tafel.’

Richard:       Is de kat dan juist of niet?

Ilya:             Hmmm…. Niemand heeft gelijk.

Rob:            En iedereen heeft gelijk.

Hanne:         De tafel zelf zal misschien zeggen: ‘Ik ben wit.’

Rob:            Ja maar, dat is geen kleur volgens de regel!

Richard:       Welke regel?

Rob:            Zwart en wit zijn geen kleuren.

Ilya:             Maar dat is weer een regel die de mensen hebben uitgevonden en dus misschien niet waar.

Rob:            Als je alle kleuren samen neemt, dan heb je wit.

Hanne:         In zeker zin heeft hij gelijk…

Richard:       Hoezo, in zekere zin?

                   Hanne kijkt verbaasd.

Rob:            Dus zien we ook wit als we rood zien of blauw.

Richard:       En wat als het volledig donker is?

Rob:            Dan bestaan de kleuren niet meer.

Richard:       Dus, als we het licht uitdoen, dan is de tafel niet meer bruin?

Rob:            Nee… Ze WAS bruin.

                   Ilya schudt twijfelend het hoofd.

Richard:       Stel je voor… Een boom valt om in een bos waar helemaal niemand is. Niemand heeft iets gehoord. Heeft de boom dan lawaai gemaakt?

Rob:            Misschien is er alleen lawaai als wij dat kunnen horen?

Richard:       Is het dan ook met de kleuren zo?

Rob:            Ik denk het wel.

Hanne:         De kleuren ZIJN er WEL. Maar jij ziet ze niet. (vastberaden)

Ilya:             Maar als je je ogen toe doet, kunnen de kleuren misschien snel-snel veranderen. En ze veranderen opnieuw als je je ogen open doet. En jij weet dus niet welke kleur het echt is.

Richard:       Kan je het dan nooit weten of een kleur ondertussen verandert?

Ilya:             Misschien als er camera’s zouden staan... Of als je vlug even met je ogen knippert en het ziet gebeuren.

Rob:            Wat als je een foto hebt ontwikkeld. Wie zegt dat er een kleur was voor je ze hebt gezien?

Richard:       Dus, er zijn niet veel dingen waar je zeker van bent?

Ilya:             Voor de tafels hebben de mensen een uitkomst gemaakt, maar… het is wel en het is niet.

Richard:       Wat bedoel je?

Ilya:             Dit is wel een kleur voor de mensen, maar misschien niet voor de honden.

Richard:       Waarvan kan je wel zeker zijn?

Hanne:         Van niks.

Richard:       Dus… daarvan kan je ook niet zeker zijn?

Hanne:         Klopt… en dat gaat dan oneindig voort…

Richard:       Ik heb eens ergens gelezen: Niets is geheel waar en zelfs dat niet. Klopt dat!

Rob:            Ja, maar dat kan je blijven schrijven. Je hebt dan een rij die oneindig doorgaat...

Richard:       Ok, maar wij moeten nu stoppen. Wil dat zeggen dat we eigenlijk niet kunnen stoppen?

                   Kinderen kijken verbaasd

Richard:       Is er nog een vraag die je aan alle mensen hier wil stellen? (lachend)

Ilya:             Euh… Hoeveel is 3 x 3?

                   Of nee, wacht… Wat is de mens?

Rob:            Kan iemand mij zeggen wat oneindig precies is?

Hanne:         Wat is een vicieuze cirkel?

Richard:       En Ilya… Viel het mee met de zenuwen?

Ilya:             Ja…

Richard:       Is er een vraag die altijd een vraag blijft?

Rob:            Wel, hoeveel is 3 x 3?

Richard:       Klopt dat?

Ilya:             Ah ja, want als je op de uitkomst uitkomt, heb je nog de vraag: ‘Is de uitkomst wel juist?’

 

Het is tijd geworden voor een tweede filosofisch gesprek, met de volwassenen nu. We hebben allemaal vol bewondering zitten luisteren naar de manier waarop de kinderen hun aandacht bij de vraag hielden, gefocust bleven en nooit vervielen in de ellenlange, persoonlijke uiteenzettingen waar wijzelf ons wel eens aan bezondigen. Daarom een laatste vraag aan hen:

 

Welke tip wil je nog geven aan de mensen die hier straks nog even gaan filosoferen?

 

Rob antwoord kort en gevat: Als je het niet meer weet, geef gewoon de micro door!

 

Met dank aan Richard, Hanne, Rob, Ilya en alle aanwezigen.

 

Sandra

naar citaten

naar verslagen