Verhuizen.

 

De meeste mensen ervaren verhuizen niet als iets prettigs. Tenminste, niet het werk dat ermee gepaard gaat. Toch zijn er die tijdens de duur van een gemiddeld leven een gouden palmares aan vestigingsplaatsen weten te verzamelen. Zelf ben ik ermee gestopt de lijst aan te vullen. Dit garandeert echter niets voor de toekomst.

Zigeuners zijn te benijden. Zij hoeven nooit in of uit te pakken. Hoogstens wanneer hun huis op wielen aan vervanging toe is, volstaat het gewoon om al hun spullen over te laden. Ze voeren hun huizen van ’t ene beloofde land naar ’t andere.

Hun leven lijkt wel één grote vakantie. Is onze drang naar verre oorden, het reizen voor de pret of het avontuur een genetisch restant van onze vroegere nomadenstam, toen het wilde gras nog niet tot koren was geteeld? Men leefde in onderlinge afhankelijkheid met de kudde, men was er als ’t ware deel van. De nomaden verplaatsten zich uit noodzaak. Niet op tijd en stond letterlijk de biezen pakken, betekende de hongerdood voor mens en dier.

Dat excuus kan niet worden aangevoerd in het land van markten, van supermarkten en straks een beursgenoteerde “Le Pain Quotidien”. Mijn maag gaat er zowaar van op en neer als brooddeeg dat zich tijdens ’t rijzen bedenkt en in elkaar zakt.

Overdaad schaadt. Hebt u ook al ongevraagd uw zoveelste bankkaart ontvangen? Je kan er voorlopig vrijblijvend en kostenloos leuke spelletjes mee doen, voorlopig.

Maar wat hebben nu een mislukt deeg, een voor mij althans overbodige zoveelste “new master card” en verhuizen gemeen? Heeft niet alles met alles te maken? Wat is die vermeerderde onrust, die voortdurende drang naar verandering, naar versnelling bij de mens? Externe verandering, jazeker. Is het de verveling, de leegte die dat tumult teweegbrengt?

Gaandeweg heb ik bij sommige verhuizen een aantal spullen weggedaan. Andere dan weer met zorg ingepakt en bewaard. Zo is er dat werkje met een verzameling wijze kernspreuken uit Seneca’s brieven, dat tijdens het uitpakken, nog midden de drukte, weer even tot grasduinen dwong. Toen Lucilius nog maar eens verhuisde schreef de oude meester o.M. het volgende: “Je mentale ingesteldheid moet je veranderen, niet je vestigingsplaats.” En verder: “Waartoe al die slaapkamers? Je kan toch maar in één ervan slapen.”

Maar dan de mooiste, doch te laat gelezen metafoor: “Sommige dieren wissen hun sporen rond hun nestplaats uit om niet te worden ontdekt. Zo moet ook jij doen. Zoniet zullen er altijd lieden zijn die achter je aan zitten.”

Zoals in vele wijsgerige tradities wordt hier verwezen naar het nut, ja zelfs de noodzaak, van het alleen-zijn, het schuwen van de massa. Wanneer u dus straks dit filosofisch café verlaat, verzadigd van een veelvoud aan ideeën, al of niet van uzelf, ga dan zonder zijsprongen recht naar je huis om het tot het volgend socratisch gesprek niet meer te verlaten. Wie weet welke bevrijdende inzichten ons dan van het juk der onwetendheid, die tweede zondag van mei zullen verlossen.

 

Jean

 

Terug