Zondag 10 september, het eerste filosofisch café van het nieuwe seizoen… We hebben er allemaal zin in en treffen ook een enthousiast publiek in Den Hopsack aan. Zowat 30 mensen laten zich verleiden om hun vragen op de houten tafeltjes te komen leggen. Naar goede gewoonte halen we er door middel van stemming ‘de vraag van de dag’ uit.

 

-Maakt liefde vrij?                          6 stemmen

-Wanneer is men oud?                   0 stemmen

-Bestaat schuld?                             0 stemmen

-Wat is verdriet?                             3 stemmen

-Wanneer is naïviteit een deugd?   6 stemmen

-Wat is wijsheid?                            2 stemmen

 

Herstemming beslist dat volgende kwestie het met 13 stemmen haalt:

 

            Wanneer is naïviteit een deugd?

 

Een eerste bevraging brengt meteen aan het licht dat de meningen hierover ver uit elkaar liggen. Een aantal mensen ervaren het label ‘naïef’ als een compliment, heel wat anderen veeleer als een verwijt. Hoe komt dat? Hebben we het hier over de kinderlijke naïviteit? En waarom mogen kinderen tot een bepaalde leeftijd nog naïef zijn – moeten dat zelfs, of ze worden als irritant ervaren! – en dan plots niet meer? Het woord naïef is duidelijk niet zo evident als het er op het eerste zicht uitziet. En als we het vervangen door ‘goedgelovig’ wordt het er alleen maar complexer op. Want al zeggen we wel degelijk ‘goed-gelovig’ en niet ‘slecht-gelovig’, ondertussen blijft ook het woord goedgelovig negatieve connotaties hebben.

We proberen uit de impasse te geraken door naar het tegenovergestelde van de naïviteit te zoeken. Is dat ‘alles weten’ (kennis)? Blasé zijn? Gekunsteld? Geslepen? Berekend? Kritisch? Bij dit laatste valt de opmerking dat je naïef kan zijn en toch kritisch. En blijkbaar heeft naïviteit ook met vertrouwen te maken. Maar waarom blijft het dan voor velen toch zo’n moeilijk verteerbaar label?

 

Dan, vlak voor de pauze, merkt iemand op dat we ons in het filosofisch café toch ook naïef proberen op te stellen. En wat te denken van Socrates zelf, die zei: ‘Ik weet alleen dat ik niets weet’? Dit brengt een keerpunt in het gesprek. Blijkbaar gebruikte Socrates de naïviteit bij het vragen stellen als een strategie om zijn gesprekspartners tot inzicht te brengen. ‘Natuurlijk was hij niet écht naïef’, merkt iemand op. ‘Hij deed alleen maar alsof!’ We besluiten dat dit nu net het verschil is met de naïviteit van een kind. De naïviteit als een bewuste keuze, een strategie en… een deugd. Socrates was niet berekend, maar zijn methode wel, menen we eensgezind. We gaan echter de pauze in met de vraag of deze betekenis van naïviteit vandaag de dag nog relevant is. Wat moeten we nog – of kunnen we nog - met die Socratische naïviteit als in het dagdagelijkse taalgebruik de naïeveling alleen maar een onnozelaar is? Bij kinderen waarderen we het dan nog wel, maar bij volwassenen…

 

Misschien is dit laatste toch niet helemaal waar, menen een aantal mensen na onderling overleg. Misschien kunnen we ook mensen waarderen die een beetje kind blijven en iets bewaard hebben van een onbewuste, natuurlijke, niet-strategische vorm van naïviteit? Het dilemma van voor de pauze blijft dus overeind: Heeft naïviteit eerder te maken met openheid en eenvoud of met ‘dingen klakkeloos voor waar aannemen?’ Naar het einde van het gesprek toe proberen we deze kwestie verder te onderzoeken door naar het woordje ‘deugd’ te gaan kijken. Wanneer is iets een deugd? Als het bijdraagt tot het goede leven? Als je er zelf beter van wordt zonder dat het anderen schaadt? Op deze manier lopen we echter opnieuw vast op de naïviteit als strategie, als overlevingsstrategie zelfs. Iemand geeft hier een eenvoudig, maar zeer duidelijk voorbeeld van: Als je in het leger de zwakste bent en al je sigaretten uitdeelt, dan kan dat misschien wel heel naïef lijken. Maar uiteindelijk gaat het om een slimme strategie om in een militaire context te overleven voor een klein en tenger iemand.

 

We besluiten dat het filosofisch café alleszins nieuw licht heeft geworpen op een begrip als ‘berekende naïviteit’. Het lijkt een contradictio in terminis, maar is het dat wel? Een mooie vraag om wakker van te liggen!

 

Terug