Verslag Filosofisch Café: 14 mei 2006
Moderator: Sandra Aerts
Welkomstwoordje door Koen Peeters
We hebben vandaag de journalist Jean-Pierre Dubois (van vzw Science Press) in ons midden. Hij werkt momenteel aan een documentaire over o.a. het verschijnsel filosofische café’s. Hij zal vandaag beeld- en geluidsopnames maken in het kader van een project rond filosofie voor jongeren.
Tijdens de pauze worden we getrakteerd op een column geschreven en gebracht door Jean.
Volgende vragen worden ingediend
|
Onderwerp |
Aantal
stemmen |
|
|
0 3 2 0 1 3 1 2 |
5 7 |
Na wat meer uitleg bij de verschillende vragen en twee stemrondes wordt gekozen voor de vraag “Zijn er grenzen aan humor”
Sandra stelt voor om eerst uit te zoeken wat humor nu eigenlijk is, en vervolgens te onderzoeken of er grenzen aan zijn/zouden moeten zijn. Er wordt bijvoorbeeld gelachen met iemand die heel dik is. Is dat humor of gewoon spotten? Niemand wil het mikpunt van spot zijn. Moeten we daar dan al een grens trekken? Mag er gelachen worden met lichamelijke gebreken?
Indianen zouden “spot” gebruiken als middel in hun opvoeding, om er bijvoorbeeld op te wijzen dat een bepaald gedrag “bespottelijk” is. Het opvoedende aspect in humor (of spot) ligt dan in het aanleren van een zeker inzicht, van relativeringsvermogen.
Een deelneemster reageert dat spotten niet persé onder de noemer humor valt. Voor haar is spotten “éénrichtingsverkeer”: er is iemand die spot en er is een slachtoffer dat er wellicht niet mee kan lachen. Bij humor daarentegen kunnen alle betrokkenen er het humoristische van inzien, of ze nu wel of niet om de grap zelf kunnen lachen. Humor kan niet bedoeld zijn om een persoon of een groep te kwetsen, wel om te raken. Humor kan zaken in het licht zetten, aan de kaart stellen, iets duidelijk maken, heilige huisjes intrappen.
We blijven worstelen met het begrip humor. Je kan blijkbaar wel zeggen ‘dit valt eronder en dit niet’, maar het blijft moeilijk te vatten. Waarom lachen we spontaan wanneer iemand uitglijdt over een bananenschil? Of om het onbeholpen gestuntel van Mr Bean? Lachen werkt aanstekelijk, volgens sommigen zelfs therapeutisch, maar heeft het persé altijd met humor te maken? Een deelnemer meent dat humor niet te definiëren is. De ene zal iets grappig vinden, de ander niet. Maar wil dit daarom zeggen dat die niet inziet dat het wel om humor gaat? Waarom noemt iemand de fratsen van Mister Bean humor, terwijl zij er zelf niet om kan lachen? Misschien gewoon omdat iedereen het humor noemt. We nemen het woord dus gemakkelijkheidhalve over. Stel dat we dat niet zouden doen, wat is humor dan nog?
Om het allemaal nog ingewikkelder te maken is niet alles wat als humor verpakt wordt ook echt als humor bedoeld. Er kan een andere boodschap achter zitten. In reclame wordt humor bv. als middel gebruikt om producten aan de man te brengen.
Herman vertelt dat hij ooit tegen een glazen deur liep. Op het moment zelf vond hij dat niet grappig. Nadien wel, toen hij het gebeurde kon relativeren. Maar waarom is het op het moment zelf wel grappig voor diegene die het ziet gebeuren? Het onverwachte? Het kan meespelen, maar er zijn ook voorbeelden genoeg waarbij het juist het voorspelbare is wat mensen al doet lachen voor er iets gebeurt.
Misschien is humor wel een manier om het leed even te vergeten. Een mogelijke definitie zou kunnen zijn: “Humor is op z’n kop gezet leed”
Humor is een uitlaatklep, een afreageren van spanningen, een middel om afstand te kunnen nemen in een crisissituatie? Dan zou het toch te maken hebben met relativering. Tegelijk kan afstand misschien ook en belemmering zijn voor humor. Als je je onvoldoende kan inleven in een bepaalde situatie, kan je de humor er ook niet van begrijpen.
Wat voor de meesten wel duidelijk is, is dat er in humor altijd sprake is van meerdere partijen. Er is een boodschapper die de humor initieert, en er is een ontvanger. Het onderwerp van humor kan een derde persoon zijn, maar ook een onderwerp of situatie die zowel ontvanger als boodschapper aangaat.
“Maar hoe zit het dan met een binnenpretje?” vraagt Herman zich af.
Humor kan ook gaan over “eigenspot”. Herkenbare “fouten” die karikaturaal worden uitvergroot, kunnen humoristisch worden. Mensen met gevoel voor humor, blijken meestal te beschikken over een gezonde dosis zelfspot. Daardoor vervagen de grenzen of vallen ze zelfs weg.
Hoe zit het nu met die grenzen? Als ze er al grenzen zijn aan humor, door wie of wat worden ze dan bepaald?
Onze journalist vertelt een anekdote van een stel Japanse toeristen dat hem aansprak met de vraag hoe ze bij de voorkant van de kerk moesten komen, terwijl ze aan de achterkant van de kerk stonden. Zijn antwoord was “follow the walls”. Voor Jean-Pierre was dit grappig, maar was dit ook zo voor de Japanners? Misschien wisten zij niet hoe een kerk eruit ziet en konden ze daardoor ook het grappige van de hele situatie niet inzien. Is dat dan een grens aan humor?
Professionele humormakers, zoals Urbanus, tasten voortdurend die grenzen af. Maar de grappen die Urbanus tijdens een show maakt, zijn misschien heel misplaatst wanneer iemand dezelfde grap vertelt in een heel andere context. Hoe komt dit? Verleggen we de grens dan zelf? Pikken we meer van deze komieken?
Iemand formuleert het heel mooi: humor flirt met grenzen. De humorist balanceert voortdurend op het randje van ‘het kan net wel’ of ‘net niet’. Het voorbeeld van de veelbesproken mohammedcartoons wordt gegeven. Voor ons zijn ze nog net grappig, voor moslims is dit over de grens, m.a.w. geen humor meer. Waar je de grenzen legt, bepaalt of je iets wel of niet humoristisch vindt. Wanneer en waarom trekken we die grenzen? In dit geval misschien doordat moslims zich identificeren met een bepaalde ideologie (maar dat zou evengoed een politieke strekking of desnoods een pop-idool kunnen zijn). Bovendien, zodra er ook maar één moslim wél lacht met die cartoons betekent dat dan niet dat de grens louter individueel is?
Niet iedereen is ervan overtuigd dat humor individueel/subjectief kan zijn. Als tegenargument wordt een verhaal verteld over de nazi’s die wansmakelijke grappen maakten over de joden. De joden gebruikten tegelijk zelf ook humor om het leed te kunnen dragen. Zij haalden moed uit het “principe” van humor. Maar kunnen we in het geval van “wansmakelijke grappen” wel van humor spreken? In principe zou alles onderwerp van humor, van grappen mogen zijn. Maar het is de manier waarop die zogenaamde humor gebruikt wordt, die misschien afgegrensd zou moeten worden. Wanneer er geen sprake van respect is, is er misschien ook geen sprake meer van humor. Maar is het dan niet het begrip humor zelf dat afgebakend wordt?
Sandra vraagt of wij zelf ook zo’n grens hebben? Over welk concreet persoonlijk leed mogen anderen geen grappen maken? Kan het cultureel bepaald zijn? Ook wij hebben in onze (westerse) maatschappij normen en waarden die voor grenzen zorgen. Grappen maken over de jodenvervolging is in onze samenleving nog steeds “not done”. We leven in een zogenaamde multiculturele samenleving, maar kunnen wij ons wel echt inleven in de humor of de manier van grappen/verhalen vertellen van bv. Turken? Of omgekeerd? Bovendien veranderen onze normen en waarden ook in de loop van de tijd. Bijgevolg zal ook humor evolueren. Zijn tijd, plaats, context dan de grenzen? Iemand is van mening dat we ook hier in ’t café grenzen trekken in verband met humor, al is het maar uit naam van politieke correctheid. Hier tellen dezelfde grenzen als buiten het café. We zouden aan dezelfde uitspraken of grappen aanstoot nemen. Of misschien “censureren” we onszelf wel wanneer we iets grappig vinden, maar beseffen dat lachen in die bepaalde context niet gepast zou zijn.
Er wordt ingebracht dat je niet persé lacht om iemand (het onderwerp van de grap), maar dat het ook gaat om de creativiteit van de grap zelf. Misschien ligt daarin dan het verschil tussen humor en spotten. Als je humor op die manier benadert, zou je ook geen enkele persoon of geen enkel volk moeten uitsluiten van humor, wat op zich toch een belediging of een vorm van discriminatie is.
Een nieuwe invalshoek is dat er wel grenzen mogen zijn aan humor en dat je die grenzen mag gebruiken ter bescherming, zolang die grenzen maar soepel/flexibel zijn. Ze maken deel uit van een groeiproces. Misschien voel je je eerst nog gekwetst door bepaalde grappen, later niet meer. Daarmee zijn we terug bij het aspect relativering.
De manier waarop je met humor omgaat, zou ook te maken kunnen hebben met een bepaalde vorm van intelligentie. Niet in de zin van IQ maar in de zin van inlevingsvermogen, van empathie. Dit geldt zowel voor de boodschapper als voor de ontvanger. De boodschapper moet kunnen inschatten wanneer hij iemand wel/niet zou kwetsen. De ontvanger moet zich kunnen inleven in de context van de grap. Het feit of je iets al dan niet grappig vindt, heeft te maken met een soort “wij-gevoel”.
Zijn er dan wel grappen die voor iedereen grappig zijn? Waarschijnlijk bestaan die niet. Maar dat moeten/mogen we ook niet verwachten van humor. Het is niet omdat iemand iets niet grappig vindt, dat het geen humor is.
Tijdens de pauze werd het woord humor even opgezocht in het woordenboek. Het is een Latijns woord en betekent letterlijk “vocht”. Er worden twee definities gegeven: “oog en gevoel voor vrolijk makende tegenstrijdigheden, scherts, luim” en “ernst met luim, vrolijkheid met weemoed vermengd”. Wat kunnen we daarmee? Wel, er is weer voldoende geestrijk vocht gevloeid vandaag. Maar dat is vast niet wat in het woordenboek bedoeld wordt. Misschien moeten we het zo zien: Vocht is (levens)noodzakelijk om alles flexibel, gesmeerd te laten lopen. Humor is het smeermiddel (het vocht) om menselijke contacten mogelijk te maken. Er was vandaag in ieder geval voldoende scherts en luim, ernst en vrolijkheid om straks met weemoed terug te denken aan alweer een geslaagd filo-café.