Filosofisch Café   14 mei 2006

Column geschreven en gebracht door Jean

 

 

Zo’n dag of 10 geleden werd ik op een avond gebeld door Sandra. En wanneer Sandra belt, een week of wat vóór er een socratisch gesprek zit aan te komen, dan is dat niet om bv. te vragen of je zin hebt om volgende zondag mee te gaan varen.

 

Maar goed... de vraag was dus of ik een column wilde schrijven. Eénmaal aan de schrijftafel bedacht ik dat taal toch een wonderlijk fenomeen is – en om even bij dat varen te blijven – neem nu gewoon het woord VAART. 

We zeggen “Zet er eens wat vaart achter” of “Het zal zo’n vaart wel niet lopen”. Mijn bovenbuurman, een kotstudent, studeert voor Officier bij de Koopvaardij ter Lange Omvaart. Stel dat je op de Kempische vaart vaart? Vaar je dan eigenlijk wel of dobber je zomaar wat? “Vaart wel” zeiden ze vroeger bij ’t afscheid. Staat dat trouwens ook niet op de grafsteen van onze grote Walschap?

 

Maar waarom dat “varen” toch altijd? En dan nog wel met de nadruk op “wel”, alsof je wanneer je bedreven bent in het varen, je desondanks “onwel” kunt varen. Onwel worden tijdens het varen wanneer je daarin niet ervaren bent, dat wel ja.

Heeft het misschien te maken met het feit dat, sinds de oudheid, zovelen toch niet wel gevaren zijn? Vandaar misschien de zucht naar welvaart?

 

Varen was lang bijna een synoniem voor ge-vaar. Iemand die de wereldzeeën had bevaren had gevaren getrotseerd ofwel zich tijdens de reis zodanig bezat dat elke notie van gevaar werd beneveld nog voor ze kon opduiken.

 

Ook in de lucht wordt er nauwelijks gevlogen. We spreken van luchtvaart, ballonvaart, ruimtevaart en last but not least...Ons Heer Hemelvaart. Wie nog over de Zeppelin spreekt, denkt daarbij aan een luchtschip. Alleen de fiets lijkt gespaard te blijven van deze taaleigenaardigheid.  En ja...het paard ook. Op beiden rijd of koers je zondermeer. Sommigen zullen zeggen “En de waterfiets dan?” Neem me niet kwalijk, maar dat ding kan je bezwaarlijk een boot en nog minder een fiets noemen.

De Duitsers, die zijn pas sterk. Die “fahren immer nach Hause” wat ook het vervoermiddel is.

 

“Gevaarzone - enkel toegankelijk voor bevoegden”

Is een filosofisch café een soort gevaarzone? Een plaats waar hersenspinsels zich een weg banen door de kroeglucht, op zoek naar verwanten?  Nu en dan ontstaat, wat we zouden kunnen noemen, een “samen” denken. Wat vaak aarzelend, bevragend, onderzoekend begint, kan soms plots een snelvaart nemen – gedachten die elkaar bevruchten en versmelten. En wat als een mens daarna in een “gewoon” café komt? Vaart dat dan niet een beetje? Maar kom. Vandaag wil ik mezelf niet al te serieus nemen. Overigens las ik deze week dit nog aan ’t eind van Patricia De Martelaere’s assay “Heel klein pleidooi tégen de filosofie”: Filosofie is voor mensen die het niet laten kunnen al maakt het hen niet beter of wijzer, en zeker niet gelukkiger. Misschien een stelling waar sommigen straks over willen doorbomen...?

 

Tot sot nog dit: Mocht iemand van u zich tijdens dit intermezzo verveeld of, erger nog, geërgerd hebben. Hij of zij make zich bekend. Het stelt mij in staat om tijdens het verdere verloop van deze middag wijselijk uit uw vaarwater te blijven.

 

Jean

 

 

Naar Verslag