Verslag Filosofisch Café   9 april 2006

Moderator: Christel Desmaretz

 

Column door Sandra Aerts

 

 

Volgende vragen worden ingediend

      Vraag

1ste ronde

2de ronde

1.     Bestaat verdienste?

7

 

2.     Beïnvloeden de jaargetijden de geestesgesteldheid? 

3.     (zowel denken als voelen)

4

 

4.     Waarom vinden wij het hier zijn niet leuk?

13

1

5.     Wat maakt iemand echt gelukkig?

13

13*

6.     Is trots aangeleerd?

13

13

7.     Waar liggen de grenzen van het eigenbelang?

7

 

8.     Bestaat altruïsme?

10

 

9.     Wat is het verschil tussen trots en tevredenheid?

5

 

10.                       Wat is Charme?

8

 

 

*Meeste stemmen in de voorronde, voordat het stemsysteem werd aangepast.

 

Uit het publiek komt de vraag om op meerdere vragen te kunnen stemmen. Een meerderheid kiest hier inderdaad voor.

Daarbij komt de vraag “Wat maakt iemand echt gelukkig?“ er opnieuw uit.

 

De indiener van de vraag licht toe: ‘Het spreekt voor zich, om gelukkig te zijn, moet aan een aantal basisbehoeften voldaan zijn. Maar als iemand zich gelukkig voelt, zijn vaak maar heel weinig dingen nodig om dat geluk teniet te doen. Vandaar de vraag: Wat is eigenlijk gelukkig zijn?”’Meteen problematiseert iemand twee andere termen in de vraag: het woordje ‘echt’ en vooral het woord ‘maken’. Kan je eigenlijk iemand gelukkig maken? En wat is het tegenovergestelde van ‘echt’ in deze vraag? Vals gelukkig? Onecht gelukkig?

Het gesprek neemt echter een andere wending. De deelnemers willen in eerste instantie wel eens bekijken of geluk effectief iets te maken heeft met het vervullen van basisbehoeften. Het lijkt twijfelachtig. Als het zo eenvoudig was, zouden we allemaal elke ochtend met een big smile op de tram zitten, luidt het. Voor de meesten onder ons zijn de basisbehoeften immers vervuld. Bovendien wordt geluk in de piramide van Maslov niet onder de basisbehoeften gerekend. Volgens iemand anders lopen we allemaal met de foutieve vooronderstelling rond dat gelukkig zijn een basisbehoefte is. Zijn we wel op de wereld om gelukkig te zijn? We maken onszelf misschien alleen maar wijs dat we gelukkig moeten zijn. Vandaar zo veel boeken en cursussen over geluk.

 

Tijd voor een definitie van ‘geluk’. We moeten opletten dat we geen twee dingen door elkaar halen, namelijk ‘geestelijke gezondheid’ en ‘geluk’, waarschuwt iemand. Waarop meteen een definitie van Plato op tafel komt: Gelukkig zijn is het bevredigen van een behoefte op zo’n manier dat je niets liever wil dan dat.  Stel dat een mug mij gestoken heeft, dan wil ik niets liever dan te krabben en de jeuk doen verdwijnen. Het krabben geeft me zo veel bevrediging dat ik volgens Plato op dat moment gelukkig ben. Dit volstaat echter niet voor iedereen. Men kan immers ook behoeften scheppen. Ons economisch systeem heeft er alle belang bij dat we niet gelukkig zijn.

Een ander aspect dat bij de definitie van geluk lijkt te horen, is de ongrijpbaarheid ervan. Geluk zit blijkbaar in de staart van de kat. Als je de kat wil pakken, dan lukt dat niet, maar als je haar loslaat, dan komt het vanzelf. Christel brengt de column van Erik Oger met een gelijkaardige definitie van geluk in herinnering (filocafé 12 maart).

‘Ook bewust leven is belangrijk om gelukkig te kunnen zijn’, merkt iemand op. Je moet je bewust zijn van het feit dat aan je behoeften voldaan is en van het feit dat je gelukkig bent op dat moment. En hangt geluk dan misschien samen met optimisme? Gaat een optimist automatisch een vorm van geluk kennen? Iemand anders maakt dan weer het onderscheid tussen tevredenheid en geluk en verfijnt het voorgaande als volgt: bewust-zijn van je tevredenheid maakt je gelukkig.

Of misschien is gelukkig zijn gewoon ‘niet ongelukkig zijn’. Als de factoren die iemand ongelukkig kunnen maken afwezig zijn, dan is er veel kans op geluk. ‘En ongelukkig zijn’, luidt het, ‘dat heeft te maken met verwachtingspatronen. We zijn ongelukkig als onze verwachtingspatronen niet ingevuld worden. Hoe minder we verwachten, hoe minder problemen.’

En dan is er nog het lichamelijke aspect van geluk. Veel mensen hebben last van de winter. Licht is belangrijk. Bij te weinig licht hebben we te weinig serotonine in ons lichaam en voelen we ons niet goed. Geluk is dus ook een chemisch proces. En je niet goed voelen, komt heel dicht bij ongelukkig zijn.

 

De vragen blijven echter ook komen. Heeft gelukkig zijn niet te maken met het feit dat je ook ongelukkig kunt zijn? Moet je om de hoogste toppen te bereiken niet eerst door de diepste dalen gaan? Heeft het te maken met ‘in contact treden met je eigen gevoelens’?  Kan men in deze maatschappij wel gelukkig zijn? Is het ook niet generatiegebonden? Kan het cultureel aangeleerd worden? Hoe normatief is geluk? In welke mate wordt ons gevoel van gelukkig zijn beïnvloed door onze omgeving?

De tegenstelling tussen hoge toppen en diepe dalen stemt tot verder nadenken. Iemand merkt op dat geluk niet noodzakelijk tegenover melancholie staat. Hij geeft een voorbeeld uit zijn eigen kindertijd: ‘Ik was half Antwerpenaar, half Limburger. In Antwerpen verlangde ik naar Limburg. Onderweg daar naartoe, op de trein, maakte precies dat verlangen me ontzettend gelukkig. Eens aangekomen verminderde het geluk algauw, want ik was er en verlangde terug naar Antwerpen. Een verlangen naar of melancholie kan me heel gelukkig stemmen. De melancholie van fadomuziek, bijvoorbeeld, kan me ook zalig stemmen.’

Een andere deelnemer maakt de associatie met Schopenhauer. Hij beweert dat geluk niet bestaat, omdat we altijd een verlangen hebben naar de bevrediging van een behoefte. Op het moment dat de behoefte bevredigd is, heeft men amper een klein moment van geluk en dan ontstaat alweer verveling en een verlangen naar een nieuwe bevrediging van iets. Zo lopen we onze eigen staart achterna. Heeft dit te maken met het nomadisch-zijn van de mens? Zijn we misschien gewoon ongelukkig, als we te lang op dezelfde plaats blijven? Of creëren we gewoon ons eigen ongeluk door nooit tevreden te zijn met wat we hebben?

 

En zijn we ondertussen niet te veel onze persoonlijke objecten van geluk aan het opsommen in plaats van echt naar een definitie van geluk te zoeken? Iemand doet opnieuw een poging door geluk te definiëren als ‘een euforische toestand die we niet constant kunnen volhouden’. ‘Geluk is noodzakelijkerwijs slechts een momentopname’, luidt het. We zijn niet op de wereld om constant gelukkig te zijn, maar om te leren en ervaringen op te doen. Tevredenheid is volgens deze deelnemer oppervlakkig en geen echte toestand van gelukkig zijn. Waarop meteen reactie komt… ‘Bewustzijn van je tevredenheid vind ik een heel goede omschrijving van gelukkig zijn.’ Nog een ander meent dat geluk (of het ontbreken ervan) te maken heeft met intelligentie. Hoe meer je nadenkt, hoe meer muizenissen je hebt, hoe ongelukkiger je bent. Meteen wil iemand uit het publiek de proef op de som nemen. ‘Wie voelt zich hier, op dit moment, echt gelukkig?  Er gaan een drietal aarzelende handen omhoog… Oei!

 

‘Het is vooral de bewustwording die belangrijk is’, meent iemand. Mensen beseffen soms niet hoe gelukkig ze zijn, tenzij je ze iets afneemt. En wat te denken van intimiteit en genieten van je eigen seksleven? Schuilt daar niet het echte geluk? Deze opmerking vraagt om meer, maar de inbrenger wil hier jammer genoeg niet meer over kwijt. Dan nog maar enkele andere suggesties: ‘Geluk bereik je als je in contact blijft met je eigen gevoelens.’ ‘Neen, het ultieme geluk bereik je enkel door jezelf aan te passen, de dingen te zien zoals ze zijn en je erbij neer te leggen, meent iemand anders. Overgave, dus. Of zoals Spinoza zegt: Alles gebeurt noodzakelijk en dan kan je tot enige rust komen.’ Dit wordt beaamd met een verhaal over een oom die na de oorlog ongelooflijk rijk werd met het repareren van trekbiljarts en vele lunaparken bezat. Vervolgens heeft hij al zijn geld heeft verkwist en is geëindigd als straatveger. Hij beweerde perfect gelukkig te zijn, was tevreden met wat hij had.

 

En dan komen opnieuw de vragen…

Ten eerste: Toch vreemd, dat we allemaal weten wat de voorwaarden tot geluk zijn en er dan toch niet in slagen om met z’n allen voortdurend gelukkig te zijn. Wat als het toch gewoon in de serotonine zit? De zonnestralen werken in op ons gemoed, er ontstaan allerhande chemische processen… en we zijn gelukkig. Iemand anders meent dat het probleem te maken heeft met het onderscheid tussen kennis van geluk en geluksgevoel. Allerlei filosofieën en religies schrijven bijna exact voor wat je moet doen om gelukkig te zijn en dat is kennis van geluk. Blijkbaar is dat niet voldoende. Ondanks al die kennis voelen we ons machteloos tegenover een aantal andere gevoelens.

Ten tweede: Kan een maatschappij, een land, de wereld, een geheel gelukkig zijn? Er bestaat alleszins zoiets als een ‘happiness-index’, waarbij Zweden het hoogst scoort. Iemand beweert zelfs te weten ‘dat Afrikanen niets hebben en ECHT gelukkig zijn’.

 

Stof tot nadenken dus, en dat doen we tijdens de pauze.

 

Na de pauze is Christel benieuwd of er nieuwe aspecten naar boven gekomen.

We starten met een voorbeeld: Mensen die een ernstige ziekte doormaken, beweren dikwijls dat ze gelukkiger worden. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat ze bewuster gaan leven. Ze worden zich bewust van wat ze nog wél hebben en daardoor gaan ze hun leven waarderen. ‘Maar misschien hangt geluk ook af van je ingesteldheid’, merkt iemand op. ‘Ik ben zelf ziek geweest en was op die momenten niet gelukkig. Nadat ik de ziekte overwonnen had, was ik wel tevreden, maar niet gelukkiger. Want: nadien blijft de angst!’

Het nieuwe element angst lijkt belangrijk. Angst om niet te krijgen wat je verwacht, is blijkbaar de grootste risicofactor voor geluk. Zijn aanvaarding en loutering hier het alternatief? Zouden we kunnen stellen dat zolang er sprake is van angst er geen sprake kan zijn van geluk en omgekeerd? Iemand maakt de associatie met liefde: There is no love in fear. Geluk gaat samen met liefde, volgens deze visie. Maar niet iedereen is het hier volledig mee eens. Angst is toch ook een soort ‘trigger’ om in actie te komen, luidt het. Angst beschermt tegen dwaasheid, angst is functioneel, zolang ze niet te extreem is. Dit blijkt echter niet overtuigend genoeg om de gevaren van angst te weerleggen als het gaat om gelukkig te zijn. Iemand wijst op de angst die zowel de politiek als de reclamemakers in onze maatschappij introduceren. Reclame is pure angst.  (Angst om oud te worden zorgt ervoor dat we naar antirimpel crème grijpen. We kopen lekkere geurtjes uit angst om niet graag gezien te worden,…) Dus: angst verlamt ons en belet om gelukkig te zijn. Dezelfde deelnemer vraagt zich af of gelukkig zijn ook te maken heeft met een vorm van energie. Hij brengt dit opnieuw in verband met angst. Als we bang zijn, hebben we immers geen energie meer. Verder wordt de link met serotonine opnieuw gelegd. Deze chemische stof zorgt er immers voor dat we meer energie krijgen. Empirisch vastgesteld door Jean, één van de trouwe deelnemers: ‘Veelvuldig bananen eten bevordert de serotonine. Ik heb het experiment gedaan, kreeg apenkuren en voelde me inderdaad beter’, grapt hij.

 

Iemand brengt het aspect ‘vrienden’ ter sprake. Zijn zij mee verantwoordelijk voor ons geluk? Kan iemand die zich volledig afzondert van anderen gelukkig zijn? Kan je gelukkig zijn op een onbewoond eiland? Volgens sommigen is het antwoord positief. Er zijn door de eeuwen heen altijd kluizenaars geweest. Als ze niet gelukkig waren, zouden ze het toch niet zo lang volgehouden hebben? Anderen twijfelen. Kunnen wolvenkinderen gelukkig zijn? We hebben toch ergens bevestiging nodig en dat kan niet als er geen ander menselijk leven in de buurt is. En wat met het woord geluk… Iemand die volledig geïsoleerd leeft, heeft het woord geluk niet leren kennen. Hij kan misschien niet eens gelukkig zijn, omdat hij er geen notie van heeft. Maar natuurlijk heeft die persoon wel een zeker percentage serotonine in het bloed. We stuiten op een (misschien schijnbare) tegenspraak… De kwestie van de omgevingsfactoren blijft echter intrigerend. Het lijkt zelfs alsof onze genen historisch bepaald zijn. Zo zouden baby’s  van moeders die 11 september meemaakten meer stress hebben. Maar zijn we dan volledig gedetermineerd? Of kunnen we hier met behulp van onze ratio op ingrijpen?

 

Een andere discussie draait rond de uitdrukking ‘wat niet weet,  niet deert.’ Nietzsche stelde bijvoorbeeld dat het dier zo gelukkig is, omdat het meteen alles vergeet. Of nog: zalig zijn de simpelen van geest. Vergelijk het met iemand die na het bekijken van een film meteen alles vergeet. Hij zal bij het herbekijken van de film, telkens opnieuw, hetzelfde plezier, hetzelfde geluk ervaren.

 

Wat de chemische kant van de zaak betreft, kunnen we misschien een klein experiment uitvoeren. Zouden er nu, op dit moment in het filosofisch café, meer mensen gelukkig zijn dan daarstraks. Toen staken slechts 3 mensen de hand op, maar nu is er duidelijk meer animo, er werd al meer gedronken… We nemen de proef op de som en… drie vierde van het café steekt de hand op. Gelach, geknik, maar ook protest… ‘Ik ben niet noodzakelijk gelukkig, maar wel tevreden’, merkt een deelnemer op. Mooi genoeg, om een verslag mee af te ronden…

 

Terug