Ons filosofisch café bestaat 1 jaar en daar zijn we trots op.

 

Het lijkt het moment om dit zinnetje in de mond te nemen. Want we bestaan inderdaad 1 jaar. En we zijn daar trots op. Maar wat kunnen we daar nu filosofisch mee? Heel wat, zou ik zeggen… Enkele weken geleden hoorden we Hans Maes nog aan het woord, een filosoof uit Leuven. Hij had het anderhalf uur lang over dat ene woordje: ‘trots’. Zo lang heb ik natuurlijk niet. Ik zal proberen op 5 minuutjes een handjevol vragen op te werpen, kwestie van u op te warmen voor het eigenlijke filocafé.

 

In de eerste plaats: Wat zeggen we als we zeggen trots te zijn? Volgens Hans zijn er twee mogelijkheden. Ofwel hebben we het over de emotie trots, ofwel over de karaktereigenschap trots. Het verschil kan je meteen detecteren door naar de tegengestelden te zoeken, respectievelijk schaamte en nederigheid. Ik meen dat we het erover eens kunnen zijn dat we dus met de emotie trots te maken hebben. We zijn trots op het feit dat ons filocafé 1 jaar bestaat, we schamen ons er niet voor. Wat ook opvalt: de emotie trots heeft, in tegenstelling tot de karaktereigenschap trots, steeds een object. We zijn trots OP iets…

 

Tweede vraag: Waarop heeft ons trots zijn betrekking? Heeft trots niet altijd iets met je eigen ik, met je ego te maken? Kan je eigenlijk wel trots zijn op iets dat volledig buiten je ligt? Kijken we naar ons filosofisch café, dan kan je bijvoorbeeld wel zeggen dat we niet samenvallen met dat café en dat het in zekere zin buiten ons ligt. Hoe komt het dan dat we er toch trots op zijn?

Kijken we iets verder, dan heeft het natuurlijk wel degelijk met ons ego te maken. We hebben dit café opgericht. En als het gesprek goed loopt, als de namiddag geslaagd is, dan hebben we het gevoel dat iets van die schittering op onszelf afstraalt. Dus menen we trots te mogen zijn.

 

Blijft echter de vraag: is die geslaagde namiddag dan werkelijk onze verdienste? Heeft de emotie trots überhaupt met werkelijke verdienste te maken? We weten allemaal dat er heel wat factoren gunstig moeten uitvallen en toevallig op elkaar inspelen om tot een goed gesprek te komen: de vraag, de moderator, het publiek,… maar ook de mate waarin de deelnemers zin hebben in de vraag, het goed uitgeslapen zijn van de moderator, misschien zelfs de weersomstandigheden… Toeval speelt dus blijkbaar een grote rol en onze verdienste wordt daardoor al heel wat minder ‘schitterend’.

 

Maar goed, stel dat we toch besluiten: hoe klein ons aandeel in het succes ook is, het blijft een bijdrage. Samen zorgen we voor een geslaagde namiddag, dus hebben we alle reden om trots te zijn… Dan nog blijken er zeer vreemde dingen aan de hand te zijn met die emotie trots. Ter illustratie en om af te sluiten twee citaatjes:

 

‘Onze trots op het bezitten van een of andere goede eigenschap krijgt een zware klap, wanneer wij zien hoe trots anderen op het niet-bezitten van dezelfde goede eigenschap zijn.’ (Marie von Ebner-Eschenbach – Duitse schrijfster, 1830-1916))

          Oftewel: we mogen er dan wel trots op zijn dat we erin slagen hier een goed filosofisch gesprek te voeren, er zijn evenveel praktische geesten die er trots op zijn dat ze zich NIET met die ‘flauwekul’ bezig houden. Niet denken, maar doen!!

 

Of nog straffer:

‘Ongelukkige mensen, net als mensen die slecht slapen, blijken altijd trots te zijn op dat feit.’ (Bertrand Russel – filosoof/wiskundige, bezig met logica, 1872-1970)

 

Tot zover het woord trots. We zouden het evengoed kunnen gehad hebben over ‘zijn’ (bestaan) en ‘tijd’ (1 jaar). Maar verdere filosofische uitweidingen laat ik graag aan u over… Er rest mij enkel nog om samen met u te klinken op ons éénjarig bestaan en het woord aan Christel te geven.

 

Verslag