Verslag Filosofisch Café   12 februari 2006

Moderator: Christel Desmaretz

 

Welkomstwoordje door Sandra Aerts

 

Den Hopsack loopt goed vol op deze winters besneeuwde dag en we mogen heel wat nieuwe gezichten begroeten. Een ideale gelegenheid om ons concept nog even toe te lichten en meteen wat reclame te maken voor onze zomercursus.

We starten dus met een woordje uitleg over de twee peilers waarop het filosofisch café steunt: democratie en filosofie. Democratie, omdat iedereen welkom is, omdat je geen voorkennis hoeft te hebben, omdat iedereen gelijk recht van spreken heeft. Filosofie, omdat we meer willen zijn dan zomaar een praatcafé, omdat we van ons publiek een zeker engagement vragen. Samen met de moderator waken de deelnemers er immers over dat het filosofisch gehalte van het gesprek bewaard blijft. Dit begint al met een goede vraag, een filosofische vraag die we diep en grondig kunnen onderzoeken. Dergelijke vragen zijn bij voorkeur gebaseerd op een concreet voorbeeld of toepasbaar op het hier en nu en liefst ook kort en duidelijk.

 

Als we terugblikken op de voorgaande filocafés blijkt dat ons publiek die boodschap al vaak ter harte nam en ook nu mogen we starten met een reeks mooie vragen. Christel is moderator vandaag en schrijft alle suggesties op:

 

Volgende vragen worden ingediend

      Onderwerp

Aantal stemmen

  1. Wat is jezelf zijn?
  2. Kunnen we ontsnappen aan de invloed van de media?
  3. Mogen we ons geloof/onze levenshouding aan anderen opdringen?
  4. Kan geloof filosofie doden?
  5. Wat kan angst met de mens doen?
  6. Begrijpen Eskimo’s meer van het weer dan wij?
  7. Is leven filosoferen?
  8. Wat is liefde?
  9. Mogen er vragen onbeantwoord blijven?

0

1

20

2

1

1

1

3

5

 

Een ruime meerderheid kiest dus voor de vraag ‘Mogen we ons geloof aan anderen opdringen?’

 

De indiener van de vraag geeft aan dat hij geloof breed beschouwt, met name als een levenshouding. Iemand uit de zaal grijpt echter wel naar religie om een concreet voorbeeld te geven: het katholicisme is doorgaans veel te opdringerig, luidt het. Al is het maar door het luiden van de klokken op zondagmorgen.

Iemand anders geeft aan dat respect voor het geloof van anderen fundamenteel is. Maar hoe zit het dan met opvoeding? Kun je erbuiten dat je met een zeker geloof opgroeit, zelfs al willen je ouders je niets opdringen? En anderzijds: kun je iemand anders tout court wel iets opdringen of heeft iedereen de fundamentele vrijheid om een eigen keuze te maken? We besluiten om het woordje ‘doorgeven’ aan de vraag toe te voegen, omdat ‘opdringen’ voor veel mensen irrelevant is. Maar een aantal mensen blijft ‘opdringen’ gebruiken’. ‘Mensen die vinden dat ze geloof mogen opdringen, geloven ook niet in de scheiding tussen kerk en staat’,  stelt iemand. Enkele bijkomende vragen rijzen. Kunnen politici zich bijvoorbeeld mengen in de euthanasiekwestie? Is dit geen geloof dat verbiedt de ander de vrijheid te laten? Maar zijn kerk en staat in onze maatschappij dan niet sterk gescheiden? En waar halen instanties hun groot gelijk?

 

Christel roept ons tot de orde: we dwalen af. Laten we ons even beperken tot concrete voorbeelden uit onze eigen dagdagelijkse ervaringen. Opnieuw valt het voorbeeld van de zondagse kerkklokken en…. We proberen ook te definiëren wat ‘geloof’ is. Iemand zegt: ‘iets aannemen waarvan je niet weet of het waar is.’ Ook later in het gesprek komt dit nog herhaaldelijk terug: geloof houdt blijkbaar een zekere twijfel in. Een ander merkt op dat atheïsme ook een geloof is. Niet iedereen is het daarmee eens, maar de definitie van geloof gaat toch opnieuw in de richting van ‘geloof als levenshouding’.

 

En wanneer wordt een dergelijk geloof dan te opdringerig? Wanneer wordt het gevaarlijk? Als we niet meer twijfelen, als we van ons geloof een overtuiging van maken en die overtuiging willen opdringen aan anderen, zo lijkt het. We moeten uitgaan van de fundamentele vrijheid van de anderen. Iemand merkt op dat geloof zelfs onvermijdelijk tot onvrijheid leidt. Maar ook hier zijn sterke tegenargumenten. Een deelneemster brengt aarzelend in dat ze erg gelooft in ecologisch leven en dat ze anderen wel degelijk wil overtuigen van het belang daarvan. En wat is daar dan verkeerd mee? Het voorbeeld stemt tot nadenken… Iemand anders merkt op dat de Socratische levenshouding het belangrijkst is en dat je alles in vraag moet durven stellen. Meteen valt de opmerking dat dit toch ook een geloof of levenshouding is.

 

We komen terug op de woorden opdringen/doorgeven, het verschil in connotatie. Iemand pleit ervoor om eerder van ‘bewustmaking’ te spreken. Een ander maakt dan weer het onderscheid tussen ‘waarheid’ en ‘waardevol’. Dit opent nieuwe perspectieven: je kan een bepaald geloof wel waardevol vinden (vb. de ecologische levenshouding), maar daarom moet je dit nog niet als ‘de waarheid’ beschouwen. Pas in het laatste geval wordt het gevaarlijk. Als je het belang van iets kan relativeren, voel je je immers ook niet meer genoodzaakt om het aan anderen op te dringen. Er wordt instemmend geknikt en dan is het tijd voor een pauze.

 

Naar goede gewoonte trakteert Rosetta ons tijdens de pauze op een column die deze keer (hoe kan het ook anders in deze Valentijnsmaand) over De Liefde gaat

 

We pikken de draad van het gesprek weer op. Christel herneemt kort een aantal belangrijke punten die in het eerste deel naar voor kwamen:

Geloof is overtuigd zijn van iets wat je (eigenlijk) niet zeker weet. Waar komt dit geloof vandaan? Hoe ontstaat het? Is dit “waardevol” of is dit “de waarheid”? En, wat het ook is, mogen we anderen hiervan overtuigen?

Wat we hier proberen te doen is ook een vorm van geloof. Of dit waardevol is, moet ieder voor zich uitmaken. Het wordt allemaal pas gevaarlijk: wanneer het “een waarheid” wordt. Mensen slaan elkaar de kop in voor “hun” waarheid. Wanneer men het geloof of de godsdienst van anderen gaat bekampen.

Het in vraag stellen van geloof (door sommige filosofen) tijdens de Verlichting zorgde voor een breuk in de geschiedenis en in het geloof van velen. Iemand noemt hen verlichtings-fundamentalisten. Iets in vraag stellen is op zich OK, maar geloof of juist ongeloof opdringen kan gevaarlijke consequenties hebben. We moeten immers rekening houden met de kracht die een mens of een volk uit hun geloof probeert te halen. De spreker komt met het voorbeeld van moslims die in Palestina:leven in bittere armoede als gevolg van de oprichting van Israël. Armoede leidt tot haat tegen de westerse wereld en die haat breidt zich uit over heel de arabische wereld

 

Christel roept op om geen midden-oosten-debat te voeren, maar om het onderzoek te richten op onze eigen levenshouding, op ons eigen geloof.

Een man vertelt dat hij in een katholieke traditie werd opgevoed, maar toen hij zelfstandig begon na te denken, hij geen behoefte meer had aan dit geloof. Een mens die nadenkt, gelooft niet. Iemand zegt iets en anderen geloven dat. Of is het gewoon iets aannemen zolang je er zelf voordeel uit kan halen? Geloof geeft een houvast en daarom hebben zovelen het nodig. Twijfel maakt het misschien moeilijker om een eigen weg te zoeken, maar toch is die twijfel interessanter dan een “valse waarheid”. Twijfel is geen waarheid, maar wel waardevol 

Iemand anders stelt dat twijfel inherent is aan geloof, maar wanneer de twijfel helemaal de overhand neemt is er geen sprake meer van geloof. Tegelijk zit in alles een vorm van geloof en zullen er altijd verschillende vrijheden zijn die met elkaar botsen. Vrijheid om zelf een levenshouding aan te nemen is moelijk want je kan niet alles alleen waarmaken.

 

Hiermee is het aspect vrijheid opnieuw ter sprake gebracht. Het is belangrijk te weten wanneer overtuigen in vrijheid overgaat in onvrijheid. Men kan/mag toch niet afdwingen dat iedereen hetzelfde gelooft. De grenzen tussen die vrijheid en onvrijheid worden bepaald door wederzijds respect.

Maar iemand brengt in dat elk geloof het in zich heeft dat het de ander wil overtuigen. Dit zou wel eens kunnen voortkomen vanuit een zekere angst. Een angst voor overheersing door een bepaald geloof, een ander geloof. Wanneer bij wijze van voorbeeld een uitspraak van Pim Fortuyn (“de Islam loopt achter”) ontstaat prompt een verhitte discussie tussen twee deelnemers. De ene beaamt dat “wij” in het westen verder staan. De ander beargumenteert dat dit soort uitspraken vanuit een superioriteitsgevoel kunnen leiden tot (godsdienst)oorlogen. Meteen maakt dit de uitgangsvraag weer concreet. Wat er hier-en-nu in het café gebeurt nl de ander willen overtuigen van je gelijk, van je geloof, mag dat? Sommigen antwoorden volmondig “ja”, anderen twijfelen. We zijn er nog steeds niet helemaal uit.

 

We ronden stilaan af. Iemand komt tot het besluit dat een monotheïstisch geloof steeds in verband staat met macht. Maar dat die macht eigenlijk een zwakte is. Hij stelt dat een intelligent individu geen geloof nodig heeft, maar dat het nóg inteligenter zou zijn om plaats te maker voor een tolerantere polytheïstische houding. Het is een weten dat de mensen zelf God gecreeërd hebben. 

Een deelneemster vindt het jammer dat het gesprek vooral rond godsdienst gedraaid heeft en niet rond een breder pallet aan waarden.Wat mag je hiervan wel of niet opleggen aan anderen en hoe kan je tegelijk elkaars vrijheid respecteren?

 

Het laatste woord is aan de indiener van de vraag. Hij vond het een interessant gesprek. Hiervan hoeft hij ons niet te overtuigen, dat willen we graag geloven.

 

 

Terug